Landelijk Vlaanderen

Vereniging van Bos-, Land-, en Natuureigenaars v.z.w.






















Home > Landeigenaar > LE Nr 35



Inhoud
Woord van de voorzitter
Groene energie uit hout ?
Verdwijnt de beuk uit Vlaanderen ?
Landbouw en natuur, beter af samen ?
Vier nieuwe gebieden opgestart ruimtelijke afbakening !
Advies Natuurrichtplan Hoppeland ingediend
Subsidies toegankelijkheid
Openbaar onderzoek over de waterbeheerplannen in Vlaanderen
Vragen over PEFC boscertificatie ?
ALGEMENE VERGADERING
Woord van de voorzitter
In vorige nieuwsbrieven heb ik niet alleen meermaals aangedrongen op de bereidwilligheid van de landeigenaars tot dialoog en samenwerking met andere actoren in het beheer van het buitengebied, maar ook dat de landeigenaar er zich bewust moet van zijn dat het noodzakelijk is dat hij een actieve rol vervult in het duurzaam beheer ervan, inclusief in het verbeteren van de ‘robuustheid’ en biodiversiteit van de natuur.

Ook de eigenaars stellen vast dat de natuurwaarden enorm zijn achteruit gegaan en velen hebben actief geprobeerd dit proces tegen te gaan. Doch blijven sommigen hardnekkig het beeld ophangen als zouden alle landeigenaars enkel uit zijn op het optimaal rendement van hun patrimonium of nog als een exclusieve kapitaalkrachtige club.

Recent lazen wij in de pers en sommige ledenbladen artikels waarvan de auteurs de visie van een actieve eigenaar duidelijk niet geloven, of willen geloven en integendeel een algemeen negatief beeld van de landeigenaars weergeven. In hun ogen zijn landeigenaars geen landbeheerders, maar vallen ze in de categorie van “ontwikkelaars” (wat laat vermoeden dat zij, tegen de belangen van de natuur in, op zoek zijn naar “profi jt”) en dat zij ‘jagen’ op subsidies of ‘achter de schermen’ alle initiatieven ten bate van de natuur proberen af te schieten, en enkel belust zijn op nieuwe voorrechten of zich in hun eigendom willen afsluiten.

Wij betreuren deze karikaturale en foutieve voorstelling. Dit is zeker niet bevorderlijk voor het aanknopen van een betere dialoog. Wij betreuren dat men reeds (negatieve) conclusies trekt over bepaalde initiatieven, wetende dat ze nog maar in een beginfase zijn en nog een grondige analyse vereisen, en vele elementen nog niet besproken zijn en de diverse mede-actoren nog dienen te worden aangesproken.
Een dergelijke voorstelling laat vermoeden dat men geen samenwerking wil en dat men misschien een zekere “competitie” vreest. Men is van oordeel dat de overheid of ‘gespecialiseerde’ verenigingen een monopolie zouden moeten hebben in de natuurontwikkeling. Anderen zijn daarvoor blijkbaar onbekwaam of onbetrouwbaar.

Het blijft een slingerbeweging. Het is juist dat men in het verleden de natuur te veel is vergeten en heeft verwaarloosd. Men heeft dan die natuur willen redden met een krachtige, coherente en soms dwingende wetgeving.
Hiervoor was er echter gebrek aan draagvlak bij de beheerders zelf. Niet omdat de doelstellingen niet goed waren, maar omdat er in de waaier van de maatregelen en instrumenten enkele tekorten waren. Nu is men eindelijk bereid deze weg te werken. Bovendien stellen we vast dat sommige instrumenten theoretisch wel goed zijn, maar in de praktijk te ingewikkeld blijken om te kunnen toepassen door ‘niet specialisten’. Maar anderzijds kunnen die ‘specialisten’ het ook niet allemaal zelf doen.

Wij erkennen dat ‘gespecialiseerde’ actoren zeker goed geplaatst zijn om met kennis, betrokkenheid en inzet in een aantal gevallen “harde” natuur te beheren en resultaten te bereiken. Maar in veel andere gevallen sparen privé-mensen tijd, noch moeite, middelen en inspanningen om hun bijdrage te leveren. Zij zijn bereid mee te werken en hun verantwoordelijkheid te nemen. Doch zij moeten hiervoor in sommige gevallen kunnen rekenen op ondersteuning en vorming, o.a. wetenschappelijk, organisatorisch, informatie- en kennisoverdracht.. En indien zij een deel van hun privé-belangen opgeven of verliezen ten bate van het maatschappelijke belang en nut, dan is het niet meer dan redelijk en fair dat zij kunnen rekenen op een erkenning ter zake. Het zou reeds een grote stap voorwaarts zijn.

Het is niet omdat verschillende actoren een rol spelen in het buitengebied, dat daarom de natuur zowaar zou worden afgebouwd. Integendeel, net daarom is het aangewezen dat we alle beschikbare middelen best zo effi ciënt en complementair mogelijk aanwenden. Daarom worden trouwens visies opgesteld met de medewerking van verschillende doelgroepen. Indien er vertrouwen bestaat in en tussen de actoren die elk de meest aangepaste middelen aanwenden voor verschillende gevallen zonder uitsluiten, negeren of denigreren van mogelijke partners, dan moet het zeker lukken. Natuurontwikkeling is een lange termijnactie en moet met samenwerking, overtuiging en respect worden bekomen.
Philippe Casier
Voorzitter Landelijk Vlaanderen

Terug naar Inhoud van deze editie                                                                      Terug naar overzicht Landeigenaar
Groene energie uit hout?
In 2004 werden met financiële ondersteuning van het Departement Landbouw en Visserij van de Vlaamse Overheid en de Europese Unie, door de Vereniging voor Bos in Vlaanderen vzw en het Innovatiesteunpunt Landbouw en Platteland vzw in Brugge en Maaseik twee demonstratiepercelen Korte-Omloop Houtteelt aangelegd. Dit project wil de geïnteresseerde land- en boseigenaar, en de land- en tuinbouwers deze innovatieve praktijk leren kennen.

Percelen met korteomloophout worden aangeplant met boomsoorten die zeer snel groeien (bv. wilg en populier). De aanplanting gebeurt aan een zeer dicht plantverband, dus niet zoals in een traditioneel bos. Na drie tot vier jaar is het perceel rijp voor een eerste oogst. De bomen worden afgemaaid vrij dicht tegen het maaiveld. Uit deze stronken groeien dan nieuwe scheuten die na twee tot drie jaar terug oogstbaar zijn. Op korte tijd wordt er dus een enorme hoeveelheid hernieuwbare biomassa geproduceerd. Voor de productie van groene energie biedt het uitbaten van percelen met korteomloophout dus meerdere mogelijkheden.

Op 14 maart 2007 oogstte minister van Landbouw, Yves Leterme op het proefveld te Brugge, offi cieel de eerste oogst van het demonstratieproject ‘Houtachtige biomassateelten voor duurzame energieproductie in Vlaanderen’.

Niettegenstaande het vaststaand feit dat - in Vlaanderen - energie uit biomassa ook in de toekomst slechts in beperkte mate zal kunnen instaan voor de totale vraag naar energie, bestaan er ook hier belangrijke potenties voor deze vorm van energieproductie. Een korte berekening van de oppervlakte grond die hiervoor in aanmerking zou kunnen komen, levert immers de volgende resultaten op:

• Verplicht braakliggende terreinen in het landbouwareaal: ca. 6 000 ha
• Weinig rendabele teelten in het landbouwareaal (bv. suikerbiet, chicorei): ca. 35 500 ha
• Vervuilde gronden in het buitengebied (industriële verontreinigingen en baggerslibstorten) ca. 14 500 ha
• TOTAAL: ca. 56 000 ha

Bovendien zijn er in Vlaanderen ook nog eens talloze kilometers bermen langs autosnelwegen, waterlopen en spoorlijnen. Op een gedeelte van deze groene stroken is biomassateelt zeker een mogelijkheid.
Gesteld dat 50% van deze oppervlakte (m.a.w. ca. 28 000 ha) ook effectief in aanmerking komt voor KOH, dan zou op deze oppervlakte jaarlijks ongeveer 560 000 vers hout, of 280 000 ton ‘Droge stof’ kunnen geproduceerd worden. Dit staat voor een koolstofopslag van ca. 140 000 ton (of een jaarlijkse CO2-reductie van ca. 500 000 ton). Energetisch is dit equivalent aan ongeveer 3 400 000 GigaJoule nuttige energie, Groene energie uit hout ? of het gemiddeld energieverbruik van meer dan 220 000 Vlaamse gezinnen!

Voor de oogst werd gebruik gemaakt van een Claas-Jaguar-verhakselaar uit Duitsland, ter beschikking gesteld door de fi rma Vanderhaeghe uit Wilrijk. Voor deze machine werd speciaal een aangepast voorzetstuk ontwikkeld om hout en twijgen tot 70 mm te kunnen afzagen en vermalen in één beweging.
Het project toont nog eens aan hoe omvangrijk het energievraagstuk is. Houtteelt zal en kan in de toekomst een belangrijke rol spelen in energievoorziening. De rol van het bos wordt in het debat over CO2, biomassa en energie te vaak miskend, ontkend of gewoonweg verzwegen. Met een verantwoord bosbeheer kan het de maatschappij van een ecologische en CO2- neutrale energiebron voorzien. Ook vandaag is nog steeds ruim 2/3 van de wereldbevolking voor een groot deel aangewezen op brandhout of houtskool om zijn dagelijkse portie eten te kunnen aanmaken.

Het is duidelijk dat het project aantoont dat er potentieel is voor korteomloophout, maar er rijzen ook nog veel vragen :
• wat met de druk uit de natuurbewegingen om gronden te gebruiken voor korteomloophout?
• de verhouding eigenaar-pachter in de mogelijkheden om gronden te beplanten met KOH?
• is dit het meest gunstige gebruik van onze restgronden, of zou men die beter bebossen voor langdurige bebossing, die op termijn wellicht naast kwaliteitshout, ook een grote stroom aan biomassa zullen leveren ?
• Maakt men nu reeds optimaal gebruik van de ‘afvalstromen’ in de houtkolom om dit hout te gebruiken als biomassa ?
• Zullen de zware investeringen in een versnipperd ruimtelijke Vlaanderen wel ooit rendabel zijn ?

Het is belangrijk dat het thema onder de aandacht is gebracht en nu ook volwaardig kan meegenomen worden in de dabatten over energie, klimaat, maar ook over toekomstige ‘producten’ en ‘innovatie’ in de bosbouw en het bosbeheer.

Voor meer info over korteomloophout kan u terecht bij de :
• VBV, Bert De Somviele, www.vbv.be
• Het kenniscentrum voor korteomloophout, Linda Meiresonne, www.inbo.be
• Innovatiesteunpunt Landbouw en Platteland vzw, www.boerenbond.be

Terug naar Inhoud van deze editie                                                                      Terug naar overzicht Landeigenaar
Verdwijnt de beuk uit Vlaanderen ?
Op amper één week tijd werd op twee algemene vergaderingen, nl van Fedemar en de KBBM, een lezing gehouden over de gevolgen van de klimaatverandering op het bos. Een brandend actueel thema. De vraag die vele boseigenaars zich stellen is of ze door een aangepast beheer zullen kunnen inspelen op de mogelijke gevolgen van een klimaatsverandering. De bevindingen van zowel de heer Fréderic Mortier, Offi ce Nation des Forêts uit Frankrijk, als de heer Damien Sevrin, FUSA Gembloux, zijn zeer gelijklopend.

Het ONF werkt op basis van vier pijlers aan een actieplan voor het bosbeheer, dat voortdurend kan worden bijgestuurd op basis van de laatste ontwikkelingen in het onderzoek. Op deze wijze wordt gepoogd de mogelijke gevolgen van een klimaatsverandering zo goed mogelijk op te vangen. De vier pijlers zijn :
• observatie : een netwerk van waarnemingen en observatiepercelen over geheel Frankrijk
• beheer : inspelen op veranderingen betekent dat een aanpassing in het beheer zo goed mogelijke begeleiding dient te worden
• onderzoek : nieuwe technieken uit de wetenschap gebruiken in het onderzoek om nog meer en beter inzicht te krijgen in de processen van het bosecosysteem
• communicatie : misschien de belangrijkste peiler, want het is belangrijk de bevindingen van observatie en onderzoek tijdig, duidelijk en op een eenvoudig toepasbare manier tot bij het doelpubliek te krijgen, nl. de bosbeheerder.

Ook al staat vandaag de klimaatverandering volop in de belangstelling, voor de bosbouwer en zeker de wetenschapper en onderzoeker is het geen nieuw gegeven. Reeds in 1994 werkte het ONF een eerste nota uit met concrete aanbevelingen die dienden bij te dragen tot stabielere bossen, om deze ‘agressieve’ aanvallen op het bos beter de baas te kunnen. Alleen, toen werd het nog geen klimaatplan genoemd, maar sprak men over bossterfte, droogtestress, insektenplagen, stormschade,....

De modellen van het onderzoek voorspellen voor onze regio’s een toename van droogte in de zomer (één langere periode van droogte met hittegolf om de twee tot drie jaar), met hevige korte stortbuien. De winterperiodes zouden minder koud zijn, maar met een gevoelige toename van de neerslag (sommige modellen gaan tot + 50%) en van stormen.

Voor het bosecosysteem betekent dit een toename van droogtestress in het groeiseizoen en een te veel aan water net buiten het groeiseizoen. Tevens zullen de groeigebieden verschuiven en de ecologische evenwichten veranderen, waardoor er meer kans is op (insecten)aantastingen en bosbranden.

Verdwijnt de beuk uit Vlaanderen ? Toch is er ook een positief gevolg, toch minstens op korte termijn. Door de toename van CO2 in de atmosfeer en de toename van de groeiperiode, zullen de bomen sneller groeien of toch minstens meer biomassa produceren. Door de fotosynthese wordt onder de invloed van licht, water en CO2 omgezet in cellulose en zuurstof.
Bomen zijn dus echte opslagtanks aan CO2 in de houtvezels.
Beide onderzoekers bevelen een dynamisch bosbeheer aan om op deze wijze het bos beter bestand te maken tegen externe invloeden. De hoofdlijnen van een dynamisch bosbeheer bestaan uit :
• het gebruik maken van boomsoorten die maximaal aangepast zijn aan de standplaats;
• de bodemvruchtbaarheid zo goed mogelijk proberen te behouden met voldoende reserve aan water en mineralen;
• de vitaliteit van de bomen verhogen door :
• een geschikte boomsoortenkeuze;
• een goede herkomst, genetisch goed gevormd;
• een hogere mengingsgraad in de bestanden;
• waar mogelijk natuurlijke verjonging aanmoedigen;
• het grondvlak beperken :
• de bedrijfstijd en de omtrek van de bomen te verlagen;
• oudere bestanden tijdig verjongen, met respect voor enkele oudere bomen in het bos.
Voor de meeste bosbeheerders zullen de voorgestelde maatregelen niet al te onbekend in de oren klinken. Ze sluiten reeds zeer dicht aan bij de algemene principes van een doordacht bosbeheer, en aldus liggen ze aan de basis voor de criteria duurzaam bosbeheer, de principes van geïntegreerd bosbeheer, het pro-silva-beheer.

Als bosbeheerder zou u dus kunnen concluderen dat, indien u nu reeds uw bossen beheert volgens bovenstaande principes u geen gevaar meer loopt. De onderzoekers stellen dat er wellicht inderdaad minder kans is op schade, omdat de algemene stabiliteit van het bos zal toegenomen zijn en het derhalve beter bestand is tegen invloeden van droogteperiodes, aantastingen,... Toch is er meer aan de hand.

Een belangrijk feit waar de bosbeheerder rekening zal dienen mee te houden is de verschuiving van de groeizones.

De klimaatsverandering zal wellicht tot gevolg hebben dat de beuk in het Atlantische groeigebied uit zijn optimum zal verdwijnen en bijgevolg niet meer aanbevolen zal worden om te planten boven de lijn Samber-Maas. In Frankrijk zou er een verschuiving plaatsvinden van de zomereik naar de wintereik.

Twee specifi eke maatregelen verdienen ook nog enige toelichting : het verlagen van de bedrijfstijd en het grondvlak.
Om droogtestress tegen te gaan en beter om te gaan met de beschikbare waterreserves in de bodem, dient men het bladerdek te beperken om te veel verdamping tegen te gaan, maar men dient toch nog voldoende blad te hebben om de groei aan te houden. Voor eik stelt men een verlaging van het grondvlak voor van nu gemiddeld 40-50 m² naar 28 tot max 30 m² en voor de beuk een nog sterkere daling van 30- 40 m² naar 18-24 m². Er moet ook een betere verdeling komen tussen boven- en onderetage in het bos. De onderzoekers bevelen ook een gevoelige daling aan van de kapleeftijd o.a. om de risicotijd te verlagen. Het ONF adviseert momenteel volgende bedrijfstijden :
• 100 jaar voor de beuk (ipv 120-140 jaar)
• < 200 jaar voor de wintereik (ipv 220-240 jaar)
• < 140 jaar voor de zomereik (ipv 160-180 jaar)
• < 60 jaar voor de es en andere loofboomsoorten (ipv 80 jaar)

Als conclusie kan men stellen dat de bosbeheerder nog meer oog zal moeten hebben voor:
• juiste keuze boomsoort - standplaats
• een grotere verscheidenheid aan structuur en boomsoorten
• een nog meer dynamisch bosbeheer, m.a.w. durven ingrijpen.

Het staat vast dat het bos op een relatief korte periode, dus minder dan een normale omlooptijd van een boom, reeds belangrijke veranderingen zal ondervinden. De onderzoekers en bosbeheerders zullen aandachtig deze veranderingen op de voet dienen op te volgen om tijdig te kunnen ingrijpen op het beheer en om de gevolgen zo goed als mogelijk op te vangen.

Wil u alles nog even in detail nalezen , dat kan, de presentaties en de tekst kan u terugvinden op onze website www.landelijkvlaanderen.be

Terug naar Inhoud van deze editie                                                                      Terug naar overzicht Landeigenaar
Landbouw en natuur, beter af samen ?
De studiedag “ landbouw en natuur: beter af samen!” op 16 maart is dan niet de gevreesde clash tussen landbouw en natuurbeweging geworden. Aan de organisatoren, de Vlaamse departementen Milieu en Landbouw, lag dat niet, want die hadden ‘vergeten’ vertegenwoordigers van de natuurbeweging uit te nodigen. Er werd zelfs beweerd dat de Boerenbond de natuurjongens op deze studiedag wilde weren. Er kan net evengoed beweerd worden dat de natuursector niet wou aanwezig zijn. Toch werd de studiedag geen onderonsje tussen boeren(bond) en de wetenschappers.

Verbazend genoeg, of misschien toch niet, was het niet de natuurbeweging die onder vuur kwam te liggen, maar wel de Vlaamse overheid zelf. Zij werd ervan beschuldigd door overdreven regelneverij en absurde randvoorwaarden, gekoppeld aan lage premies, natuurverwevende acties in landbouwgebied te ontmoedigen. Eén dag is natuurlijk niet voldoende om 3 mythes over landbouw en natuur te ontkrachten, maar de denkoefening is toch een goede aanzet om het vertrouwen bij beide sectoren te laten toenemen en met respect naar elkaars verwezenlijkingen te kijken.

De 3 mythes die centraal stonden op deze studiedag waren de volgende :
1. Een boerenlandschap is een arm landschap
2. Nieuw groen moet vrij zijn
3. Natuurbeheerders nemen land af van de landbouwers en de landbouwer gijzelt natuurbeheer.

Mythe 1 en 2
In een eerste luik maakte een historicus duidelijk dat een landbouwlandschap een dynamisch karakter heeft. Het verandert bijna voortdurend onder invloed van nieuwe landbouwtechnieken en teelten, en die voortdurende interactie wordt wel eens uit het oog verloren. Zowel landbouw als natuur moet zich dus bewust zijn van dit feit. Een landschap creëren uit pure nostalgie naar het verleden heeft geen zin.

De praktijkvoorbeelden van een heel aantal concrete projecten toonden duidelijk aan dat op lokaal niveau landbouw en natuur elkaar vaak wel kunnen vinden en resultaat gericht samenwerken. Meer nog, er werd zelfs aangegeven dat ze elkaar nodig hebben om bepaalde natuurtypen in stand te houden.
Het toonde aan – zeker niet zonder vallen en opstaan – dat er wel duidelijk een wil is om samen te werken. Waarschijnlijk moet men om de samenwerking tussen landbouw en natuur te bevorderen en de mythes te ontkrachten, in de eerste plaats bottom-up trachten te werken. Laat de ideeën van aan de basis maar doorgroeien naar boven, eerder dan ze van bovenaf te sturen.
De overheid dient wel het kader te scheppen waarin creatief en fl exibel kan gewerkt worden. Continuïteit en rechtszekerheid zijn hierbij de sleutelbegrippen. Te vaak wordt nog te projectmatig gewerkt, en is er geen geld voor de omkadering. De landbouwsector vraagt niet alleen inlevingsvermogen van de overheid, maar ook van de natuursector. Binnen een gezonde economische bedrijfsvoering willen de meeste landbouwers maar al te graag aan natuurontwikkeling doen. Als men vanuit bepaalde natuurmiddens echter het maximale natuurdoel nastreeft en daardoor het economische rendement van de landbouwer ondergraaft, dan haakt hij af. Het vertrouwen dient dus van beide kanten te komen. Landbouwers begrijpen best dat in de echte natuurkernen zij de natuurdoelstellingen nooit zullen kunnen halen. Maar in een zeer groot deel van het (versnipperde) landbouwareaal is er zeker mogelijkheid tot verweving en natuurontwikkeling zonder de bedrijfsvoering in gevaar te brengen.
Marc Govaert, akkerbouwer, natuurbeheerder en jager formuleert het als volgt : ‘Ik vind dat het economische aspect achter het verhaal te weinig aan bod komt. Men dient de landbouwer te vergelijken met een ondernemer die zelf kiest waarop hij inspeelt (recreatie, kleine landschapselementen, …) Het moet op eigen initiatief gebeuren zonder verplichting. Het is ook belangrijk om te luisteren in plaats van enkel te spreken. Nu wil natuur nogal vaak opleggen wat mag en wat niet en dit is aanleiding tot het con- fl ict landbouw-natuur. Maar wij willen deze mythe ook begraven!”

Mythe 3
Komt al snel de vraag opsteken waar kan dan wel aan verweving gedaan worden ? Fons Beyers, studiedienst Boerenbond, verwees naar het duidelijk standpunt van het Boerenbondcongres van 2 december 2006 “scheiden waar kan, verweven waar moet”, een duidelijke boodschap tegen natuurverwevingsgebieden. Boerenbond pleit voor een afbakening van natuurgebied en agrarisch gebied. In het agrarische gebied is functionele verweving al aanwezig en er zal er nog bij komen. Het is echter niet nodig om dit ‘as such’ te benoemen omdat de vrees leeft dat de percelen defi nitief zullen “afgepakt” worden door natuur. Anderzijds moet er nog grond omgezet worden in natuurgebeid. Eén instrument is tot nu toe nog niet uitgevoerd, en dat is het recht op planschade. Roof van patrimonium is niet eerlijk, zowel eigenaar als pachter hebben recht op vergoeding. Een standpunt dat ook Landelijk Vlaanderen reeds in diverse fora heeft naar voorgebracht.

Het Nederlandse voorbeeld van agrarische natuurverenigingen kon op veel bijval rekenen. Maar dan wel op voorwaarde dat (gebiedsgerichte) collectieve (ipv individuele) beheersovereenkomsten kunnen worden afgesloten en dat die activiteiten bovenop en niet in plaats van het huidige natuurbeheer komen of niet uit hetzelfde potje gefi nancierd worden. In de praktijk richt dat Nederlandse agrarisch natuurbeheer zich vooral op het aanleggen en onderhouden van kleine landschapselementen. Ook in Vlaanderen zijn enkele goede voorbeelden van agrarisch natuurbeheer terug te vinden zoals de vzw Boerenlandschap, de landbouwnatuurgidsen van CVN en het project Hagendorser in de Regio Kempen-Maasland.Als we ook in Vlaanderen zouden kunnen starten met dergelijke verenigingen en als we een discussie zouden opstarten over het mogelijk maken van collectieve beheerovereenkomsten naast de individuele, dan zouden we hier grote sprongen kunnen maken waarbij altijd een winwinsituatie voor landbouw en natuur voor ogen gehouden moet worden. Landelijk Vlaanderen wil dat ook de landeigenaar hierin een rol kan spelen, zoals ze in Nederland prominent aanwezig zijn in de agrarische natuurverenigingen.

De discussie landbouw-natuur is niet alleen het verhaal van de landbouwer versus de natuurbeheerder, maar dient in het bredere kader van de volledige plattelandsontwikkeling te worden gezien. De landeigenaar heeft steeds een voortrekkersrol ingenomen om nieuwe dragers te vinden voor de ontwikkeling van zijn gronden. In Nederland is natuurbehoud voor bepaalde eigenaars reeds zo een belangrijke economische drager geworden. Het behoud van een mooi aantrekkelijk natuurlijk landschap maakt het net aanlokkelijk. Mensen komen fi etsen, wandelen, het domein bezoeken, verblijfs- en zorgrecreatie zien het licht.

Natuur als landschapproduct heeft ook zijn waarde !

U kan nog eens alles rustig nalezen: de presentaties en teksten vindt u terug op onze webstek www.landelijkvlaanderen.be.
Terug naar Inhoud van deze editie                                                                      Terug naar overzicht Landeigenaar
Vier nieuwe gebieden opgestart ruimtelijke afbakening
In overleg met gemeenten, provincies en belangengroepen is Ruimtelijke Planning reeds geruime tijd bezig met de opmaak van de ruimtelijke visies voor landbouw, natuur en bos. Deze ruimtelijke visie legt de krachtlijnen vast voor de opmaak van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, RUP, die de bestemmingen op perceelsniveau vastleggen. Om dit doel te bereiken wordt er 750.000 ha agrarisch gebied, 150.000 ha natuurgebied, 53.000 ha bosgebieden en 34.000 ha andere groen gebieden vastgelegd in bestemmingsplannen.
Concreet komt het er op neer dat hiervoor bepaalde agrarische gebieden zullen herbevestigd worden, d.w.z. dat aan de huidige bestemming op de bestaande gewestplannen niets zal wijzigen. Momenteel is er echter meer dan 750 000 ha landbouwgebied, d.w.z. dat de landbouw areaal (gele bestemmingskleur) zal dienen in te leveren, dat zal worden omgezet naar bos en natuurgebied, een groene bestemmingskleur. In de gebieden die niet worden herbevestigd zal er dus een wijziging van bestemming plaatsvinden. Deze wijziging zal voornl. gebeuren door middel van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, afgekort RUP.

In de eerste deelgebieden nl. Haspengouw- Voeren en de Kuststreek liggen de eerste ontwerp- RUP reeds op tafel. Onze opmerkingen hierop kon u reeds lezen in een vorig nummer van de Landeigenaar.

Landelijk Vlaanderen probeert met haar beperkte middelen en mankracht toch zo goed mogelijk in ieder deelgebied de dossiers op te volgen.
Inmiddels is ook het proces in de laatste vier deelgebieden opgestart, nl. Zenne-Dijle-Pajottenland, Waasland, Vlaamse Ardennen en Klein Brabant-Antwerpse Gordel.

We willen onze leden nogmaals oproepen om lokaal het proces te volgen. Neem deel aan de infovergaderingen, vraag de dossiers op via ons secretariaat, op uw gemeente, of bij de bevoegde overheid Ruimtelijke Ordening. Als lokale actor kan u het best inschatten wat landbouwgebied dient te blijven, en waar men best bos en natuur kan intekenen. U vindt alle info op onze website www.landelijkvlaanderen. be onder het thema Rood, ruimtelijke ordening. Uw bezwaren en opmerkingen kan u steeds overmaken aan ons secretariaat, waar u ook terecht kan voor alle inlichtingen. Landelijk Vlaanderen probeert zoveel mogelijk de lokale bezwaren te verzamelen om te kunnen meenemen in haar adviezen, die ze overmaakt aan de bevoegde overheid.

Terug naar Inhoud van deze editie                                                                      Terug naar overzicht Landeigenaar
Advies Natuurrichtplan Hoppeland ingediend
Op 14 maart 2007 heeft de voorzitter van de stuurgroep van het natuurrichtplan voor de Speciale beschermingszones (SBZ) en de groene bestemmingsgebieden voor “het Hoppeland van Poperinge en de Zuidelijke IJzervlakte” het advies overgemaakt aan de bevoegde minister.
Dit advies was niet unaniem, m.a.w. er was geen consensus. Het natuurrichtplan dient nu ter goedkeuring te worden voorgelegd aan zowel de minister van Leefmilieu, als de minister van Ruimtelijke Ordening. Landelijk Vlaanderen is nooit offi cieel lid geweest van de stuurgroep, want in het uitvoeringsbesluit is offi cieel geen zetel voorzien voor een vertegenwoordiger van de landeigenaars.

Landelijk Vlaanderen werd wel steeds uitgenodigd op de vergaderingen en het overleg, die steeds in een constructieve sfeer verliepen. Advies Natuurrichtplan Hoppeland ingediend Op basis van haar bevindingen in dit proefproject heeft Landelijk Vlaanderen een nota met meer dan 20 opmerkingen overgemaakt aan de bevoegde administratie.
Belangrijkste bezwaar dat door bijna iedereen in de stuurgroep naar voor werd gebracht, is het feit dat de opmaak van het natuurrichtplan net samenvalt met de afbakening van de ruimtelijke structuur van landbouw, bos en natuur. Dit houdt in dat op korte termijn voor de nieuwe groene bestemmingen (natuur, bos,…) die zullen worden afgebakend, er opnieuw een volledige procedure tot opmaak van natuurrichtplan dient te worden opgestart en wellicht volgens bijgestuurde procedure. Er dreigt dan een situatie te ontstaan van een natuurrichtplan met twee verschillende sets van voorwaarden en maatregelen.

Bovendien stellen we vast dat er in bepaalde gebieden strengere maatregelen worden getroffen dan afgesproken in de adviezen van de Minaraad en de Hoge Bosraad. Voor een leek is het onmogelijk om de speciale beschermingszone (SBZ) van het Natura 2000 netwerk te kunnen onderscheiden van een gewoon groengebied. Nochtans zijn de juridische gevolgen totaal verschillend.

Het lijkt ons dat in een gewoon bos de striktst mogelijke beperking van kracht is, en derhalve alle uitheemse boomsoorten beperkt en verder gaat dan de in consensus afgesproken criteria duurzaam bosbeheer, die we wel kunnen aanvaarden als het standstill-principe voor het invullen van de instandhoudingsdoelstellingen in de SBZ gebieden.

Het kabinet en de administratie hebben steeds gesteld dat ze een grondige evaluatie zullen houden na afl oop van deze proefprojecten tot opmaak van een natuurrichtplan.

De huidige procedure verloopt omslachtig en te stroef. Op deze manier zal het zeer lang duren tot het laatste natuurrichtplan is opgemaakt. We hebben echter ook veel geleerd uit het constructieve overleg met de verschillende actoren betrokken in het proces. Een algemeen aanvoelen is ook dat de overheid de bestaande instrumenten en maatregelen beter op elkaar dient af te stellen en deze eerst maximaal dient te benutten om bestaande natuurdoelen te verwezenlijken. Het natuurrichtplan kan op deze manier gebruikt worden als ‘tool’ in de prioritaire gebieden binnen het Natura 2000 netwerk, om daarin de natuurdoelen te verwezenlijken aan de hand van de instandhoudingsdoelstellingen en een doordacht aanwenden van de bestaande instrumenten, maatregelen en middelen. Een dossier dat zeker wordt vervolgd en gevolgd.
Terug naar Inhoud van deze editie                                                                      Terug naar overzicht Landeigenaar
Subsidies toegankelijkheid
In 2005 werden er 41 dossiers ingediend. Voor het jaar 2007 werden er reeds 184 dossiers ingediend voor een aanvraag van subsidie voor toegankelijkheid van het bos tot de boswegen. Dit maakt samen reeds 82 km bosweg en 71 ha speelzone voor een totale som van 106 500 Euro in deze 3 jaar. Onderstaande tabel geeft het volledige overzicht per jaar.

Voornamelijk in de provincies Antwerpen en Limburg, waar de bosgroepen reeds langere tijd actief zijn, treden de bosgroepen op als aanvrager van de openstellingsdossiers. Zo werden voor de provincie Antwerpen in de betreffende periode (2005-2007) 18 dossiers ingediend via de bosgroepen. Voor Limburg betreft het 6 dossiers, voor Vlaams-Brabant 1 dossier en voor Oosten West-Vlaanderen nul dossiers.

Het is wel belangrijk om aan te halen dat de dossiers ingediend via de bosgroepen in enkele gevallen handelen over boscomplexen waarvoor recent een beheerplan annex toegankelijkheidsreglement is opgemaakt. De volgende stap is dan het indienen van een gezamenlijke subsidieaanvraag door de bosgroep.

Per opengestelde meter bosweg bedraagt de subsidie 2€/ha met een maximum van 50€/ha, de subsidie voor de speelzone bedraagt 100€/ha.

De toegankelijkheid van het bos wordt geregeld door artikel 10 in het bosdecreet uit 1990 en gewijzigd in 1999. Artikel 10 : Behoudens in de gevallen vermeld in het volgende lid, zijn alle bossen voor het publiek, aangeduid in § 3 van dit artikel, steeds toegankelijk. Zij zijn evenwel enkel toegankelijk op de boswegen... Hiermee werd de bepaling van het oorspronkelijk artikel 10 uit 1990 omgekeerd. Toch kan iedere eigenaar met een bord eenvoudig aanduiden dat het bos niet toegankelijk is.

Momenteel werkt het agentschap Natuur en Bos aan een nieuw uitvoeringsbesluit op de toegankelijkheid van het bos en wil het tevens een harmonisatie doorvoeren voor de toegankelijkheid in de groengebieden, m.a.w. bos en natuur. Sinds de wijziging van artikel 10 in het Bosdecreet in 1999 werd er nog geen uitvoeringsbesluit opgemaakt.

Landelijk Vlaanderen volgt het dossier op de voet.
Terug naar Inhoud van deze editie                                                             Terug naar overzicht Landeigenaar
Openbaar onderzoek over de waterbeheerplannen in Vlaanderen
Het waterbeleid is een zaak van iedereen. De Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW) en de bekkensecretariaten organiseren daarom van 22 november 2006 tot 22 mei 2007 een openbaar onderzoek over de waterbeheerplannen in Vlaanderen.
Opmerkingen formuleren, verbeteringen voorstellen of ideeën voor acties en maatregelen indienen: het kan allemaal. Een unieke kans dus om mee te denken over de waterprojecten in uw buurt! Alle info op uw gemeente of de website www.volvanwater.be
Landelijk Vlaanderen zetelt in twee bekkenraden, laat ons dus uw opmerkingen weten, zodat we ze kunnen meenemen naar het overleg.

Terug naar Inhoud van deze editie                                                             Terug naar overzicht Landeigenaar
Vragen over PEFC boscertificatie ?
PEFC Standaard in België na vijf jaar herbekeken !

Op 3 april 2007 werd de nieuwe Belgische Standaard voor boscertifi catie goedgekeurd door de PEFC Commissie België.
Deze Standaard bevat een set documenten die het kader en de regels vastleggen om een certifi caat voor duurzaam bosbeheer voor de Belgische bossen te kunnen afl everen, evenals voor het certifi caat C-o-C voor de opvolging van hout in de houtketen en voor het gebruik van het PEFC logo. De standaard dient iedere vijf jaar te worden geëvalueerd en voorgelegd aan de Internationale PEFC Raad.
Het document legt ook de normen vast voor het bosbeheer op het regionale niveau. De nieuwe standaard is het eindproduct van 24 vergaderingen in 2 jaar tijd van de PEFC Werkgroep, die is samengesteld uit 5 kamers met vertegenwoordigers van alle geledingen van de Belgische bos- en houtsector.
Het actieplan is grondig bijgewerkt en het bestaande Charter voor duurzaam bosbeheer in Wallonië werd vernieuwd. Het actieplan legt duidelijke taken vast die in de loop van de volgende vijf jaar door de werkgroep concreet zullen moeten worden uitgewerkt en opgevolgd. Het Charter, of handvest, legt de maatregelen vast voor iedere individuele beheerder die toetreedt tot het systeem van duurzaam bosbeheer en gecontroleerd door PEFC.
Tijdens het openbaar onderzoek, waarop iedereen zijn opmerkingen kon kenbaar maken, werden 78 bezwaren ingediend. Het volledige rapport kan u terugvinden op de website www. pefc.be of aanvragen via info@pefc.be.
Nu het nationale luik is afgerond, dient de nieuwe standaard nog goedgekeurd te worden door de andere leden van de Internationale PEFC Raad en een onafhankelijke externe audit te doorlopen. Dit proces kan tot 8 maanden duren, maar Vragen over PEFC boscertificatie ? als alles naar wens verloopt, zou tegen 2008 de nieuwe Belgische Standaard PEFC van kracht kunnen worden.

*** Het Waals Gewest moedigt de private boseigenaars aan om lid te worden van PEFC.

Op initiatief van de Waalse minister van Landbouw, Platteland, Leefmilieu en Toerisme dienen de eigenaars die beroep willen doen op een subsidie voor het aanplanten van naaldbomen, aan te sluiten bij een certifi catiesysteem, zoals bvb. PEFC. Indien men zijn loofhoutbestanden duurzaam beheert volgens de criteria van o.a. PEFC kan men rekenen op een extra subsidie van 200 €/ha en dit tot 1 januari 2008. Vanaf deze datum dienen alle boseigenaars die beroep willen doen op aanplantsubsidies, hun bossen duurzaam te beheren en aangesloten te zijn bij een certifi catiesysteem, vb. PEFC. Alle info vindt u op www.foretprivee.be

Terug naar Inhoud van deze editie                                                             Terug naar overzicht Landeigenaar
ALGEMENE VERGADERING
22 mei 2007
de Ouwe Schuur - Overijse
Programma

16u00 Verwelkoming
Werking en verslag van het werkjaar Landelijk Vlaanderen 2006

Debat :
Landeigendom en ondernemerschap in een innoverend platteland


Inleiding : Getuigenissen door twee landeigenaars :
B. della Faille, domein Lozer te Kruishoutem
C. Lenaerts, domein te Oostmalle

Panel : Philippe Casier, Voorzitter Landelijk Vlaanderen
Noël Devisch, Voorzitter Boerenbond
Walter Roggeman, Voorzitter Natuurpunt
Marleen Evenepoel, Aministrateur Generaal, Agentschap Natuur en Bos
Griet Celen, Afdelingshoofd Landelijke Inrichting, VLM

Moderator : Dirk Haesevoets, The House of Trust.

Slotwoord en conclusie door de Voorzitter

Terug naar Inhoud van deze editie                                                             Terug naar overzicht Landeigenaar
Landelijk Vlaanderen  •  Centrumgalerij, Blok 2, 5 verdieping  •  1000 - Brussel

Tel : +32 (0)2 217 27 40  •  Fax : +32 (0)2 217 27 43  •  Email : infolandelijkvlaanderen.be  •  www.landelijkvlaanderen.be

 COPYRIGHT LANDELIJK VLAANDEREN © 2006