










|
 |
|
Inhoud
Woord van de voorzitter
Groene energie uit hout ?
Verdwijnt de beuk uit Vlaanderen ?
Landbouw en natuur, beter af samen ?
Vier nieuwe gebieden opgestart ruimtelijke
afbakening !
Advies Natuurrichtplan Hoppeland ingediend
Subsidies toegankelijkheid
Openbaar onderzoek over
de waterbeheerplannen in Vlaanderen
Vragen over PEFC boscertificatie ?
ALGEMENE VERGADERING
|
| Woord van de voorzitter |
In vorige
nieuwsbrieven
heb ik niet
alleen meermaals
aangedrongen
op
de bereidwilligheid
van de
landeigenaars
tot dialoog en
samenwerking met andere actoren in het beheer
van het buitengebied, maar ook dat de landeigenaar
er zich bewust moet van zijn dat het
noodzakelijk is dat hij een actieve rol vervult in het
duurzaam beheer ervan, inclusief in het verbeteren
van de ‘robuustheid’ en biodiversiteit van de
natuur.
Ook de eigenaars stellen vast dat de natuurwaarden
enorm zijn achteruit gegaan en velen hebben
actief geprobeerd dit proces tegen te gaan.
Doch blijven sommigen hardnekkig het beeld
ophangen als zouden alle landeigenaars enkel uit
zijn op het optimaal rendement van hun patrimonium
of nog als een exclusieve kapitaalkrachtige
club.
Recent lazen wij in de pers en sommige ledenbladen
artikels waarvan de auteurs de visie van een
actieve eigenaar duidelijk niet geloven, of willen
geloven en integendeel een algemeen negatief
beeld van de landeigenaars weergeven. In hun
ogen zijn landeigenaars geen landbeheerders,
maar vallen ze in de categorie van “ontwikkelaars”
(wat laat vermoeden dat zij, tegen de belangen
van de natuur in, op zoek zijn naar “profi jt”) en dat
zij ‘jagen’ op subsidies of ‘achter de schermen’
alle initiatieven ten bate van de natuur proberen af
te schieten, en enkel belust zijn op nieuwe voorrechten
of zich in hun eigendom willen afsluiten.
Wij betreuren deze karikaturale en foutieve voorstelling.
Dit is zeker niet bevorderlijk voor het aanknopen
van een betere dialoog. Wij betreuren
dat men reeds (negatieve) conclusies trekt over
bepaalde initiatieven, wetende dat ze nog maar
in een beginfase zijn en nog een grondige analyse
vereisen, en vele elementen nog niet besproken
zijn en de diverse mede-actoren nog dienen te
worden aangesproken.
Een dergelijke voorstelling laat vermoeden dat
men geen samenwerking wil en dat men misschien
een zekere “competitie” vreest. Men is van
oordeel dat de overheid of ‘gespecialiseerde’ verenigingen
een monopolie zouden moeten hebben
in de natuurontwikkeling. Anderen zijn daarvoor
blijkbaar onbekwaam of onbetrouwbaar.
Het blijft een slingerbeweging. Het is juist dat
men in het verleden de natuur te veel is vergeten
en heeft verwaarloosd. Men heeft dan die natuur
willen redden met een krachtige, coherente en
soms dwingende wetgeving.
Hiervoor was er echter gebrek aan draagvlak bij
de beheerders zelf. Niet omdat de doelstellingen
niet goed waren, maar omdat er in de waaier van
de maatregelen en instrumenten enkele tekorten
waren. Nu is men eindelijk bereid deze weg te
werken. Bovendien stellen we vast dat sommige
instrumenten theoretisch wel goed zijn, maar in
de praktijk te ingewikkeld blijken om te kunnen
toepassen door ‘niet specialisten’. Maar anderzijds
kunnen die ‘specialisten’ het ook niet allemaal
zelf doen.
Wij erkennen dat ‘gespecialiseerde’ actoren zeker
goed geplaatst zijn om met kennis, betrokkenheid
en inzet in een aantal gevallen “harde”
natuur te beheren en resultaten te bereiken. Maar
in veel andere gevallen sparen privé-mensen tijd,
noch moeite, middelen en inspanningen om hun
bijdrage te leveren. Zij zijn bereid mee te werken
en hun verantwoordelijkheid te nemen. Doch zij
moeten hiervoor in sommige gevallen kunnen
rekenen op ondersteuning en vorming, o.a.
wetenschappelijk, organisatorisch, informatie- en
kennisoverdracht.. En indien zij een deel van hun
privé-belangen opgeven of verliezen ten bate van
het maatschappelijke belang en nut, dan is het
niet meer dan redelijk en fair dat zij kunnen rekenen
op een erkenning ter zake. Het zou reeds
een grote stap voorwaarts zijn.
Het is niet omdat verschillende actoren een rol
spelen in het buitengebied, dat daarom de natuur
zowaar zou worden afgebouwd. Integendeel, net
daarom is het aangewezen dat we alle beschikbare
middelen best zo effi ciënt en complementair
mogelijk aanwenden. Daarom worden trouwens
visies opgesteld met de medewerking van verschillende
doelgroepen. Indien er vertrouwen
bestaat in en tussen de actoren die elk de meest
aangepaste middelen aanwenden voor verschillende
gevallen zonder uitsluiten, negeren of denigreren
van mogelijke partners, dan moet het
zeker lukken. Natuurontwikkeling is een lange
termijnactie en moet met samenwerking,
overtuiging en respect worden bekomen.
Philippe Casier
Voorzitter Landelijk Vlaanderen
Terug naar Inhoud van deze editie Terug naar overzicht Landeigenaar |
| Groene energie uit hout? |
In 2004 werden met financiële ondersteuning
van het Departement Landbouw en Visserij van
de Vlaamse Overheid en de Europese Unie,
door de Vereniging voor Bos in Vlaanderen vzw
en het Innovatiesteunpunt Landbouw en Platteland
vzw in Brugge en Maaseik twee demonstratiepercelen
Korte-Omloop Houtteelt aangelegd.
Dit project wil de geïnteresseerde land- en
boseigenaar, en de land- en tuinbouwers deze
innovatieve praktijk leren kennen.
Percelen met korteomloophout worden aangeplant
met boomsoorten die zeer snel groeien
(bv. wilg en populier). De aanplanting gebeurt
aan een zeer dicht plantverband, dus niet zoals
in een traditioneel bos. Na drie tot vier jaar is het
perceel rijp voor een eerste oogst. De bomen
worden afgemaaid vrij dicht tegen het maaiveld.
Uit deze stronken groeien dan nieuwe scheuten
die na twee tot drie jaar terug oogstbaar zijn. Op
korte tijd wordt er dus een enorme hoeveelheid
hernieuwbare biomassa geproduceerd. Voor de
productie van groene energie biedt het uitbaten
van percelen met korteomloophout dus meerdere
mogelijkheden.
Op 14 maart 2007 oogstte minister van Landbouw,
Yves Leterme op het proefveld te Brugge,
offi cieel de eerste oogst van het demonstratieproject
‘Houtachtige biomassateelten voor
duurzame energieproductie in Vlaanderen’.
Niettegenstaande het vaststaand feit dat - in
Vlaanderen - energie uit biomassa ook in de
toekomst slechts in beperkte mate zal kunnen
instaan voor de totale vraag naar energie,
bestaan er ook hier belangrijke potenties voor
deze vorm van energieproductie.
Een korte berekening van de oppervlakte grond
die hiervoor in aanmerking zou kunnen komen,
levert immers de volgende resultaten op:
• Verplicht braakliggende terreinen in het
landbouwareaal: ca. 6 000 ha
• Weinig rendabele teelten in het landbouwareaal
(bv. suikerbiet, chicorei):
ca. 35 500 ha
• Vervuilde gronden in het buitengebied (industriële
verontreinigingen en baggerslibstorten)
ca. 14 500 ha
• TOTAAL: ca. 56 000 ha
Bovendien zijn er in Vlaanderen ook nog eens
talloze kilometers bermen langs autosnelwegen,
waterlopen en spoorlijnen. Op een gedeelte van
deze groene stroken is biomassateelt zeker een
mogelijkheid.
Gesteld dat 50% van deze oppervlakte (m.a.w.
ca. 28 000 ha) ook effectief in aanmerking komt
voor KOH, dan zou op deze oppervlakte jaarlijks
ongeveer 560 000 vers hout, of 280 000
ton ‘Droge stof’ kunnen geproduceerd worden.
Dit staat voor een koolstofopslag van ca. 140
000 ton (of een jaarlijkse CO2-reductie van ca.
500 000 ton). Energetisch is dit equivalent aan
ongeveer 3 400 000 GigaJoule nuttige energie,
Groene energie uit hout ?
of het gemiddeld energieverbruik van meer dan
220 000 Vlaamse gezinnen!
Voor de oogst werd gebruik gemaakt van een
Claas-Jaguar-verhakselaar uit Duitsland, ter beschikking
gesteld door de fi rma Vanderhaeghe
uit Wilrijk. Voor deze machine werd speciaal een
aangepast voorzetstuk ontwikkeld om hout en
twijgen tot 70 mm te kunnen afzagen en vermalen
in één beweging.
Het project toont nog eens aan hoe omvangrijk
het energievraagstuk is. Houtteelt zal en kan in
de toekomst een belangrijke rol spelen in energievoorziening.
De rol van het bos wordt in het
debat over CO2, biomassa en energie te vaak
miskend, ontkend of gewoonweg verzwegen.
Met een verantwoord bosbeheer kan het de
maatschappij van een ecologische en CO2-
neutrale energiebron voorzien. Ook vandaag
is nog steeds ruim 2/3 van de wereldbevolking
voor een groot deel aangewezen op brandhout
of houtskool om zijn dagelijkse portie eten te
kunnen aanmaken.
Het is duidelijk dat het project aantoont dat er
potentieel is voor korteomloophout, maar er rijzen
ook nog veel vragen :
• wat met de druk uit de natuurbewegingen om
gronden te gebruiken voor korteomloophout?
• de verhouding eigenaar-pachter in de mogelijkheden
om gronden te beplanten met
KOH?
• is dit het meest gunstige gebruik van onze
restgronden, of zou men die beter bebossen
voor langdurige bebossing, die op termijn
wellicht naast kwaliteitshout, ook een grote
stroom aan biomassa zullen leveren ?
• Maakt men nu reeds optimaal gebruik van de
‘afvalstromen’ in de houtkolom om dit hout te
gebruiken als biomassa ?
• Zullen de zware investeringen in een versnipperd
ruimtelijke Vlaanderen wel ooit rendabel
zijn ?
Het is belangrijk dat het thema onder de aandacht
is gebracht en nu ook volwaardig kan
meegenomen worden in de dabatten over
energie, klimaat, maar ook over toekomstige
‘producten’ en ‘innovatie’ in de bosbouw en het
bosbeheer.
Voor meer info over korteomloophout
kan u terecht bij de :
• VBV, Bert De Somviele, www.vbv.be
• Het kenniscentrum voor korteomloophout, Linda Meiresonne, www.inbo.be
• Innovatiesteunpunt Landbouw en Platteland vzw, www.boerenbond.be
Terug naar Inhoud van deze editie Terug naar overzicht Landeigenaar |
Verdwijnt de beuk uit Vlaanderen ?
| Op amper één week tijd werd op twee algemene
vergaderingen, nl van Fedemar en de KBBM,
een lezing gehouden over de gevolgen van de
klimaatverandering op het bos. Een brandend
actueel thema. De vraag die vele boseigenaars
zich stellen is of ze door een aangepast
beheer zullen kunnen inspelen op de mogelijke
gevolgen van een klimaatsverandering. De bevindingen
van zowel de heer Fréderic Mortier,
Offi ce Nation des Forêts uit Frankrijk, als de
heer Damien Sevrin, FUSA Gembloux, zijn zeer
gelijklopend.
Het ONF werkt op basis van vier pijlers aan een
actieplan voor het bosbeheer, dat voortdurend
kan worden bijgestuurd op basis van de
laatste ontwikkelingen in het onderzoek. Op
deze wijze wordt gepoogd de mogelijke gevolgen
van een klimaatsverandering zo goed mogelijk
op te vangen. De vier pijlers zijn :
• observatie : een netwerk van waarnemingen
en observatiepercelen over geheel Frankrijk
• beheer : inspelen op veranderingen betekent
dat een aanpassing in het beheer zo goed
mogelijke begeleiding dient te worden
• onderzoek : nieuwe technieken uit de wetenschap
gebruiken in het onderzoek om nog
meer en beter inzicht te krijgen in de processen
van het bosecosysteem
• communicatie : misschien de belangrijkste
peiler, want het is belangrijk de bevindingen
van observatie en onderzoek tijdig, duidelijk
en op een eenvoudig toepasbare manier tot
bij het doelpubliek te krijgen, nl. de bosbeheerder.
Ook al staat vandaag de klimaatverandering
volop in de belangstelling, voor de bosbouwer
en zeker de wetenschapper en onderzoeker is
het geen nieuw gegeven. Reeds in 1994 werkte
het ONF een eerste nota uit met concrete aanbevelingen
die dienden bij te dragen tot stabielere
bossen, om deze ‘agressieve’ aanvallen op
het bos beter de baas te kunnen. Alleen, toen
werd het nog geen klimaatplan genoemd, maar
sprak men over bossterfte, droogtestress, insektenplagen,
stormschade,....
De modellen van het onderzoek voorspellen
voor onze regio’s een toename van droogte in
de zomer (één langere periode van droogte met
hittegolf om de twee tot drie jaar), met hevige
korte stortbuien. De winterperiodes zouden
minder koud zijn, maar met een gevoelige toename
van de neerslag (sommige modellen gaan
tot + 50%) en van stormen.
Voor het bosecosysteem betekent dit een toename
van droogtestress in het groeiseizoen en
een te veel aan water net buiten het groeiseizoen.
Tevens zullen de groeigebieden verschuiven en
de ecologische evenwichten veranderen, waardoor
er meer kans is op (insecten)aantastingen
en bosbranden.
Verdwijnt de beuk uit Vlaanderen ?
Toch is er ook een positief gevolg, toch minstens
op korte termijn. Door de toename van
CO2 in de atmosfeer en de toename van de
groeiperiode, zullen de bomen sneller groeien
of toch minstens meer biomassa produceren.
Door de fotosynthese wordt onder de invloed
van licht, water en CO2 omgezet in cellulose en
zuurstof.
Bomen zijn dus echte opslagtanks aan CO2 in
de houtvezels.
Beide onderzoekers bevelen een dynamisch
bosbeheer aan om op deze wijze het bos beter
bestand te maken tegen externe invloeden.
De hoofdlijnen van een dynamisch bosbeheer
bestaan uit :
• het gebruik maken van boomsoorten die
maximaal aangepast zijn aan de standplaats;
• de bodemvruchtbaarheid zo goed mogelijk
proberen te behouden met voldoende reserve
aan water en mineralen;
• de vitaliteit van de bomen verhogen door :
• een geschikte boomsoortenkeuze;
• een goede herkomst, genetisch goed gevormd;
• een hogere mengingsgraad in de bestanden;
• waar mogelijk natuurlijke verjonging aanmoedigen;
• het grondvlak beperken :
• de bedrijfstijd en de omtrek van de
bomen te verlagen;
• oudere bestanden tijdig verjongen,
met respect voor enkele oudere bomen
in het bos.
Voor de meeste bosbeheerders zullen de voorgestelde
maatregelen niet al te onbekend in de
oren klinken. Ze sluiten reeds zeer dicht aan bij
de algemene principes van een doordacht bosbeheer,
en aldus liggen ze aan de basis voor de
criteria duurzaam bosbeheer, de principes van
geïntegreerd bosbeheer, het pro-silva-beheer.
Als bosbeheerder zou u dus kunnen concluderen
dat, indien u nu reeds uw bossen beheert
volgens bovenstaande principes u geen gevaar
meer loopt. De onderzoekers stellen dat er
wellicht inderdaad minder kans is op schade,
omdat de algemene stabiliteit van het bos zal
toegenomen zijn en het derhalve beter bestand
is tegen invloeden van droogteperiodes, aantastingen,...
Toch is er meer aan de hand.
Een belangrijk feit waar de bosbeheerder rekening
zal dienen mee te houden is de verschuiving
van de groeizones.
De klimaatsverandering zal wellicht tot gevolg
hebben dat de beuk in het Atlantische groeigebied
uit zijn optimum zal verdwijnen en bijgevolg
niet meer aanbevolen zal worden om te planten
boven de lijn Samber-Maas.
In Frankrijk zou er een verschuiving plaatsvinden
van de zomereik naar de wintereik.
Twee specifi eke maatregelen verdienen ook
nog enige toelichting : het verlagen van de
bedrijfstijd en het grondvlak.
Om droogtestress tegen te gaan en beter om te
gaan met de beschikbare waterreserves in de
bodem, dient men het bladerdek te beperken
om te veel verdamping tegen te gaan, maar
men dient toch nog voldoende blad te hebben
om de groei aan te houden. Voor eik stelt men
een verlaging van het grondvlak voor van nu gemiddeld
40-50 m² naar 28 tot max 30 m² en
voor de beuk een nog sterkere daling van 30-
40 m² naar 18-24 m². Er moet ook een betere
verdeling komen tussen boven- en onderetage
in het bos.
De onderzoekers bevelen ook een gevoelige
daling aan van de kapleeftijd o.a. om de risicotijd
te verlagen. Het ONF adviseert momenteel
volgende bedrijfstijden :
• 100 jaar voor de beuk (ipv 120-140 jaar)
• < 200 jaar voor de wintereik (ipv 220-240
jaar)
• < 140 jaar voor de zomereik (ipv 160-180
jaar)
• < 60 jaar voor de es en andere loofboomsoorten
(ipv 80 jaar)
Als conclusie kan men stellen dat de bosbeheerder
nog meer oog zal moeten hebben voor:
• juiste keuze boomsoort - standplaats
• een grotere verscheidenheid aan structuur
en boomsoorten
• een nog meer dynamisch bosbeheer,
m.a.w. durven ingrijpen.
Het staat vast dat het bos op een relatief korte
periode, dus minder dan een normale omlooptijd
van een boom, reeds belangrijke veranderingen
zal ondervinden. De onderzoekers en
bosbeheerders zullen aandachtig deze veranderingen
op de voet dienen op te volgen om tijdig
te kunnen ingrijpen op het beheer en om de
gevolgen zo goed als mogelijk op te vangen.
Wil u alles nog even in detail nalezen , dat kan,
de presentaties en de tekst kan u terugvinden
op onze website www.landelijkvlaanderen.be
Terug naar Inhoud van deze editie Terug naar overzicht Landeigenaar |
| Landbouw en natuur, beter af samen ? |
De studiedag “ landbouw en natuur: beter
af samen!” op 16 maart is dan niet de gevreesde
clash tussen landbouw en natuurbeweging
geworden. Aan de organisatoren,
de Vlaamse departementen Milieu en
Landbouw, lag dat niet, want die hadden
‘vergeten’ vertegenwoordigers van de natuurbeweging
uit te nodigen. Er werd zelfs
beweerd dat de Boerenbond de natuurjongens
op deze studiedag wilde weren. Er
kan net evengoed beweerd worden dat de
natuursector niet wou aanwezig zijn.
Toch werd de studiedag geen onderonsje
tussen boeren(bond) en de wetenschappers.
Verbazend genoeg, of misschien toch niet,
was het niet de natuurbeweging die onder
vuur kwam te liggen, maar wel de Vlaamse
overheid zelf. Zij werd ervan beschuldigd
door overdreven regelneverij en absurde
randvoorwaarden, gekoppeld aan lage
premies, natuurverwevende acties in landbouwgebied
te ontmoedigen.
Eén dag is natuurlijk niet voldoende om 3
mythes over landbouw en natuur te ontkrachten,
maar de denkoefening is toch
een goede aanzet om het vertrouwen
bij beide sectoren te laten toenemen
en met respect naar elkaars verwezenlijkingen
te kijken.
De 3 mythes die centraal stonden op deze
studiedag waren de volgende :
1. Een boerenlandschap is een arm landschap
2. Nieuw groen moet vrij zijn
3. Natuurbeheerders nemen land af van de
landbouwers en de landbouwer gijzelt
natuurbeheer.
Mythe 1 en 2
In een eerste luik maakte een historicus
duidelijk dat een landbouwlandschap een
dynamisch karakter heeft. Het verandert
bijna voortdurend onder invloed van nieuwe
landbouwtechnieken en teelten, en die
voortdurende interactie wordt wel eens uit
het oog verloren. Zowel landbouw als natuur
moet zich dus bewust zijn van dit feit.
Een landschap creëren uit pure nostalgie
naar het verleden heeft geen zin.
De praktijkvoorbeelden van een heel aantal
concrete projecten toonden duidelijk aan
dat op lokaal niveau landbouw en natuur
elkaar vaak wel kunnen vinden en resultaat
gericht samenwerken. Meer nog, er werd
zelfs aangegeven dat ze elkaar nodig hebben
om bepaalde natuurtypen in stand te
houden.
Het toonde aan – zeker niet zonder vallen
en opstaan – dat er wel duidelijk een wil
is om samen te werken. Waarschijnlijk
moet men om de samenwerking tussen
landbouw en natuur te bevorderen en de
mythes te ontkrachten, in de eerste plaats
bottom-up trachten te werken. Laat de
ideeën van aan de basis maar doorgroeien
naar boven, eerder dan ze van bovenaf te
sturen.
De overheid dient wel het kader te scheppen
waarin creatief en fl exibel kan gewerkt
worden. Continuïteit en rechtszekerheid
zijn hierbij de sleutelbegrippen.
Te vaak wordt nog te projectmatig gewerkt,
en is er geen geld voor de omkadering.
De landbouwsector vraagt niet alleen
inlevingsvermogen van de overheid, maar
ook van de natuursector. Binnen een gezonde
economische bedrijfsvoering willen
de meeste landbouwers maar al te graag
aan natuurontwikkeling doen. Als men
vanuit bepaalde natuurmiddens echter het
maximale natuurdoel nastreeft en daardoor
het economische rendement van de landbouwer
ondergraaft, dan haakt hij af.
Het vertrouwen dient dus van beide kanten
te komen. Landbouwers begrijpen best
dat in de echte natuurkernen zij de natuurdoelstellingen
nooit zullen kunnen halen.
Maar in een zeer groot deel van het (versnipperde)
landbouwareaal is er zeker mogelijkheid
tot verweving en natuurontwikkeling
zonder de bedrijfsvoering in gevaar te
brengen.
Marc Govaert, akkerbouwer, natuurbeheerder
en jager formuleert het als volgt : ‘Ik vind
dat het economische aspect achter het
verhaal te weinig aan bod komt. Men dient
de landbouwer te vergelijken met een ondernemer
die zelf kiest waarop hij inspeelt
(recreatie, kleine landschapselementen, …)
Het moet op eigen initiatief gebeuren zonder
verplichting. Het is ook belangrijk om te
luisteren in plaats van enkel te spreken. Nu
wil natuur nogal vaak opleggen wat mag
en wat niet en dit is aanleiding tot het con-
fl ict landbouw-natuur. Maar wij willen deze
mythe ook begraven!”
Mythe 3
Komt al snel de vraag opsteken waar kan
dan wel aan verweving gedaan worden ?
Fons Beyers, studiedienst Boerenbond,
verwees naar het duidelijk standpunt van
het Boerenbondcongres van 2 december
2006 “scheiden waar kan, verweven waar
moet”, een duidelijke boodschap tegen natuurverwevingsgebieden.
Boerenbond pleit
voor een afbakening van natuurgebied en
agrarisch gebied. In het agrarische gebied
is functionele verweving al aanwezig en er
zal er nog bij komen. Het is echter niet nodig
om dit ‘as such’ te benoemen omdat
de vrees leeft dat de percelen defi nitief zullen
“afgepakt” worden door natuur. Anderzijds
moet er nog grond omgezet worden
in natuurgebeid.
Eén instrument is tot nu toe nog niet uitgevoerd,
en dat is het recht op planschade.
Roof van patrimonium is niet eerlijk, zowel
eigenaar als pachter hebben recht op vergoeding.
Een standpunt dat ook Landelijk
Vlaanderen reeds in diverse fora heeft naar
voorgebracht.
Het Nederlandse voorbeeld van agrarische
natuurverenigingen kon op veel
bijval rekenen. Maar dan wel op voorwaarde
dat (gebiedsgerichte) collectieve (ipv individuele)
beheersovereenkomsten kunnen
worden afgesloten en dat die activiteiten
bovenop en niet in plaats van het huidige
natuurbeheer komen of niet uit hetzelfde
potje gefi nancierd worden. In de praktijk
richt dat Nederlandse agrarisch natuurbeheer
zich vooral op het aanleggen en onderhouden
van kleine landschapselementen.
Ook in Vlaanderen zijn enkele goede
voorbeelden van agrarisch natuurbeheer
terug te vinden zoals de vzw Boerenlandschap,
de landbouwnatuurgidsen van CVN
en het project Hagendorser in de Regio
Kempen-Maasland.Als we ook in Vlaanderen zouden kunnen
starten met dergelijke verenigingen en als
we een discussie zouden opstarten over
het mogelijk maken van collectieve beheerovereenkomsten
naast de individuele,
dan zouden we hier grote sprongen
kunnen maken waarbij altijd een winwinsituatie
voor landbouw en natuur voor ogen
gehouden moet worden. Landelijk Vlaanderen
wil dat ook de landeigenaar hierin
een rol kan spelen, zoals ze in Nederland
prominent aanwezig zijn in de agrarische
natuurverenigingen.
De discussie landbouw-natuur is niet alleen
het verhaal van de landbouwer versus
de natuurbeheerder, maar dient in het bredere
kader van de volledige plattelandsontwikkeling
te worden gezien. De landeigenaar
heeft steeds een voortrekkersrol
ingenomen om nieuwe dragers te vinden
voor de ontwikkeling van zijn gronden. In
Nederland is natuurbehoud voor bepaalde
eigenaars reeds zo een belangrijke economische
drager geworden. Het behoud van
een mooi aantrekkelijk natuurlijk landschap
maakt het net aanlokkelijk. Mensen komen
fi etsen, wandelen, het domein bezoeken,
verblijfs- en zorgrecreatie zien het licht.
Natuur als landschapproduct heeft ook
zijn waarde !
U kan nog eens alles rustig nalezen: de presentaties
en teksten vindt u terug op onze
webstek www.landelijkvlaanderen.be. Terug naar Inhoud van deze editie Terug naar overzicht Landeigenaar
|
| Vier nieuwe gebieden opgestart ruimtelijke afbakening |
In overleg met gemeenten, provincies en belangengroepen
is Ruimtelijke Planning reeds
geruime tijd bezig met de opmaak van de
ruimtelijke visies voor landbouw, natuur en bos.
Deze ruimtelijke visie legt de krachtlijnen vast
voor de opmaak van de ruimtelijke uitvoeringsplannen,
RUP, die de bestemmingen op perceelsniveau
vastleggen. Om dit doel te bereiken
wordt er 750.000 ha agrarisch gebied, 150.000
ha natuurgebied, 53.000 ha bosgebieden en
34.000 ha andere groen gebieden vastgelegd in
bestemmingsplannen.
Concreet komt het er op neer dat hiervoor bepaalde
agrarische gebieden zullen herbevestigd
worden, d.w.z. dat aan de huidige bestemming
op de bestaande gewestplannen niets zal wijzigen.
Momenteel is er echter meer dan 750 000
ha landbouwgebied, d.w.z. dat de landbouw
areaal (gele bestemmingskleur) zal dienen in te
leveren, dat zal worden omgezet naar bos en
natuurgebied, een groene bestemmingskleur.
In de gebieden die niet worden herbevestigd zal
er dus een wijziging van bestemming plaatsvinden.
Deze wijziging zal voornl. gebeuren door
middel van de ruimtelijke uitvoeringsplannen,
afgekort RUP.
In de eerste deelgebieden nl. Haspengouw-
Voeren en de Kuststreek liggen de eerste ontwerp-
RUP reeds op tafel. Onze opmerkingen
hierop kon u reeds lezen in een vorig nummer
van de Landeigenaar.
Landelijk Vlaanderen probeert met haar beperkte
middelen en mankracht toch zo goed
mogelijk in ieder deelgebied de dossiers op te
volgen.
Inmiddels is ook het proces in de laatste vier
deelgebieden opgestart, nl. Zenne-Dijle-Pajottenland,
Waasland, Vlaamse Ardennen
en Klein Brabant-Antwerpse Gordel.
We willen onze leden nogmaals oproepen
om lokaal het proces te volgen. Neem deel
aan de infovergaderingen, vraag de dossiers op
via ons secretariaat, op uw gemeente, of bij de
bevoegde overheid Ruimtelijke Ordening. Als
lokale actor kan u het best inschatten wat landbouwgebied
dient te blijven, en waar men best
bos en natuur kan intekenen.
U vindt alle info op onze website www.landelijkvlaanderen.
be onder het thema Rood, ruimtelijke
ordening. Uw bezwaren en opmerkingen
kan u steeds overmaken aan ons secretariaat,
waar u ook terecht kan voor alle inlichtingen.
Landelijk Vlaanderen probeert zoveel mogelijk
de lokale bezwaren te verzamelen om te kunnen
meenemen in haar adviezen, die ze overmaakt
aan de bevoegde overheid.
Terug naar Inhoud van deze editie Terug naar overzicht Landeigenaar |
Advies Natuurrichtplan Hoppeland ingediend
|
Op 14 maart 2007 heeft de voorzitter van
de stuurgroep van het natuurrichtplan voor
de Speciale beschermingszones (SBZ) en
de groene bestemmingsgebieden voor “het
Hoppeland van Poperinge en de Zuidelijke
IJzervlakte” het advies overgemaakt aan de
bevoegde minister.
Dit advies was niet unaniem, m.a.w. er was
geen consensus. Het natuurrichtplan dient nu
ter goedkeuring te worden voorgelegd aan zowel
de minister van Leefmilieu, als de minister
van Ruimtelijke Ordening.
Landelijk Vlaanderen is nooit offi cieel lid geweest
van de stuurgroep, want in het uitvoeringsbesluit
is offi cieel geen zetel voorzien voor
een vertegenwoordiger van de landeigenaars.
Landelijk Vlaanderen werd wel steeds uitgenodigd
op de vergaderingen en het overleg, die
steeds in een constructieve sfeer verliepen.
Advies Natuurrichtplan Hoppeland ingediend
Op basis van haar bevindingen in dit proefproject
heeft Landelijk Vlaanderen een nota met
meer dan 20 opmerkingen overgemaakt aan
de bevoegde administratie.
Belangrijkste bezwaar dat door bijna iedereen
in de stuurgroep naar voor werd gebracht, is
het feit dat de opmaak van het natuurrichtplan
net samenvalt met de afbakening van de
ruimtelijke structuur van landbouw, bos en natuur.
Dit houdt in dat op korte termijn voor de
nieuwe groene bestemmingen (natuur, bos,…)
die zullen worden afgebakend, er opnieuw een
volledige procedure tot opmaak van natuurrichtplan
dient te worden opgestart en wellicht
volgens bijgestuurde procedure. Er dreigt dan
een situatie te ontstaan van een natuurrichtplan
met twee verschillende sets van voorwaarden
en maatregelen.
Bovendien stellen we vast dat er in bepaalde
gebieden strengere maatregelen worden getroffen
dan afgesproken in de adviezen van
de Minaraad en de Hoge Bosraad. Voor een
leek is het onmogelijk om de speciale beschermingszone
(SBZ) van het Natura 2000 netwerk
te kunnen onderscheiden van een gewoon
groengebied. Nochtans zijn de juridische gevolgen
totaal verschillend.
Het lijkt ons dat in een gewoon bos de striktst
mogelijke beperking van kracht is, en derhalve
alle uitheemse boomsoorten beperkt en verder
gaat dan de in consensus afgesproken criteria
duurzaam bosbeheer, die we wel kunnen aanvaarden
als het standstill-principe voor het invullen
van de instandhoudingsdoelstellingen
in de SBZ gebieden.
Het kabinet en de administratie hebben
steeds gesteld dat ze een grondige
evaluatie zullen houden na afl oop
van deze proefprojecten tot opmaak van
een natuurrichtplan.
De huidige procedure verloopt omslachtig
en te stroef. Op deze manier zal het zeer lang
duren tot het laatste natuurrichtplan is opgemaakt.
We hebben echter ook veel geleerd uit
het constructieve overleg met de verschillende
actoren betrokken in het proces.
Een algemeen aanvoelen is ook dat de overheid
de bestaande instrumenten en maatregelen
beter op elkaar dient af te stellen en deze
eerst maximaal dient te benutten om bestaande
natuurdoelen te verwezenlijken.
Het natuurrichtplan kan op deze manier gebruikt
worden als ‘tool’ in de prioritaire gebieden
binnen het Natura 2000 netwerk, om
daarin de natuurdoelen te verwezenlijken aan
de hand van de instandhoudingsdoelstellingen
en een doordacht aanwenden van de bestaande
instrumenten, maatregelen en middelen.
Een dossier dat zeker wordt vervolgd en gevolgd.
Terug naar Inhoud van deze editie Terug naar overzicht Landeigenaar
|
| Subsidies toegankelijkheid |
In 2005 werden er 41 dossiers ingediend.
Voor het jaar 2007 werden er reeds 184
dossiers ingediend voor een aanvraag van
subsidie voor toegankelijkheid van het bos
tot de boswegen. Dit maakt samen reeds
82 km bosweg en 71 ha speelzone voor
een totale som van 106 500 Euro in deze
3 jaar. Onderstaande tabel geeft het volledige
overzicht per jaar.
Voornamelijk in de provincies Antwerpen en
Limburg, waar de bosgroepen reeds langere
tijd actief zijn, treden de bosgroepen
op als aanvrager van de openstellingsdossiers.
Zo werden voor de provincie Antwerpen
in de betreffende periode (2005-2007)
18 dossiers ingediend via de bosgroepen.
Voor Limburg betreft het 6 dossiers, voor
Vlaams-Brabant 1 dossier en voor Oosten
West-Vlaanderen nul dossiers.
Het is wel belangrijk om aan te halen dat
de dossiers ingediend via de bosgroepen
in enkele gevallen handelen over boscomplexen
waarvoor recent een beheerplan
annex toegankelijkheidsreglement is opgemaakt.
De volgende stap is dan het indienen
van een gezamenlijke subsidieaanvraag
door de bosgroep.
Per opengestelde meter bosweg bedraagt
de subsidie 2€/ha met een maximum van
50€/ha, de subsidie voor de speelzone bedraagt
100€/ha.
De toegankelijkheid van het bos wordt
geregeld door artikel 10 in het bosdecreet
uit 1990 en gewijzigd in 1999.
Artikel 10 : Behoudens in de gevallen vermeld
in het volgende lid, zijn alle bossen
voor het publiek, aangeduid in § 3 van dit
artikel, steeds toegankelijk. Zij zijn evenwel
enkel toegankelijk op de boswegen...
Hiermee werd de bepaling van het oorspronkelijk
artikel 10 uit 1990 omgekeerd.
Toch kan iedere eigenaar met een bord
eenvoudig aanduiden dat het bos niet toegankelijk
is.
Momenteel werkt het agentschap Natuur
en Bos aan een nieuw uitvoeringsbesluit
op de toegankelijkheid van het bos en
wil het tevens een harmonisatie doorvoeren
voor de toegankelijkheid in de groengebieden,
m.a.w. bos en natuur. Sinds de
wijziging van artikel 10 in het Bosdecreet in
1999 werd er nog geen uitvoeringsbesluit
opgemaakt.
Landelijk Vlaanderen volgt het dossier op
de voet.
Terug naar Inhoud van deze editie Terug naar overzicht Landeigenaar |
| Openbaar onderzoek over
de waterbeheerplannen in Vlaanderen |
Het waterbeleid is een zaak van iedereen. De
Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid
(CIW) en de bekkensecretariaten organiseren
daarom van 22 november 2006 tot 22 mei
2007 een openbaar onderzoek over de waterbeheerplannen
in Vlaanderen.
Opmerkingen formuleren, verbeteringen voorstellen
of ideeën voor acties en maatregelen
indienen: het kan allemaal. Een unieke kans dus
om mee te denken over de waterprojecten in
uw buurt! Alle info op uw gemeente of de website
www.volvanwater.be
Landelijk Vlaanderen zetelt in twee bekkenraden,
laat ons dus uw opmerkingen weten, zodat
we ze kunnen meenemen naar het overleg.
Terug naar Inhoud van deze editie Terug naar overzicht Landeigenaar |
| Vragen over PEFC boscertificatie ? |
PEFC Standaard in België na vijf jaar herbekeken
!
Op 3 april 2007 werd de nieuwe Belgische
Standaard voor boscertifi catie goedgekeurd
door de PEFC Commissie België.
Deze Standaard bevat een set documenten die
het kader en de regels vastleggen om een certifi
caat voor duurzaam bosbeheer voor de
Belgische bossen te kunnen afl everen, evenals
voor het certifi caat C-o-C voor de opvolging
van hout in de houtketen en voor het gebruik
van het PEFC logo. De standaard dient iedere
vijf jaar te worden geëvalueerd en voorgelegd
aan de Internationale PEFC Raad.
Het document legt ook de normen vast voor het
bosbeheer op het regionale niveau. De nieuwe
standaard is het eindproduct van 24 vergaderingen
in 2 jaar tijd van de PEFC Werkgroep,
die is samengesteld uit 5 kamers met vertegenwoordigers
van alle geledingen van de Belgische
bos- en houtsector.
Het actieplan is grondig bijgewerkt en het bestaande
Charter voor duurzaam bosbeheer
in Wallonië werd vernieuwd. Het actieplan legt
duidelijke taken vast die in de loop van de volgende
vijf jaar door de werkgroep concreet zullen
moeten worden uitgewerkt en opgevolgd.
Het Charter, of handvest, legt de maatregelen
vast voor iedere individuele beheerder die toetreedt
tot het systeem van duurzaam bosbeheer
en gecontroleerd door PEFC.
Tijdens het openbaar onderzoek, waarop iedereen
zijn opmerkingen kon kenbaar maken,
werden 78 bezwaren ingediend. Het volledige
rapport kan u terugvinden op de website www.
pefc.be of aanvragen via info@pefc.be.
Nu het nationale luik is afgerond, dient de nieuwe
standaard nog goedgekeurd te worden door de
andere leden van de Internationale PEFC Raad
en een onafhankelijke externe audit te doorlopen.
Dit proces kan tot 8 maanden duren, maar
Vragen over PEFC boscertificatie ?
als alles naar wens verloopt, zou tegen 2008 de
nieuwe Belgische Standaard PEFC van kracht
kunnen worden.
***
Het Waals Gewest moedigt de private
boseigenaars aan om lid te worden van
PEFC.
Op initiatief van de Waalse minister van Landbouw,
Platteland, Leefmilieu en Toerisme dienen
de eigenaars die beroep willen doen op een
subsidie voor het aanplanten van naaldbomen,
aan te sluiten bij een certifi catiesysteem, zoals
bvb. PEFC. Indien men zijn loofhoutbestanden
duurzaam beheert volgens de criteria van o.a.
PEFC kan men rekenen op een extra subsidie
van 200 €/ha en dit tot 1 januari 2008. Vanaf
deze datum dienen alle boseigenaars die beroep
willen doen op aanplantsubsidies, hun
bossen duurzaam te beheren en aangesloten te
zijn bij een certifi catiesysteem, vb. PEFC. Alle
info vindt u op www.foretprivee.be
Terug naar Inhoud van deze editie Terug naar overzicht Landeigenaar |
ALGEMENE VERGADERING
22 mei 2007
de Ouwe Schuur - Overijse |
Programma 16u00 Verwelkoming
Werking en verslag van het werkjaar Landelijk
Vlaanderen 2006 Debat : Landeigendom en ondernemerschap in een innoverend platteland
Inleiding : Getuigenissen door twee landeigenaars :
B. della Faille, domein Lozer te Kruishoutem
C. Lenaerts, domein te Oostmalle
Panel :
Philippe Casier, Voorzitter Landelijk Vlaanderen
Noël Devisch, Voorzitter Boerenbond
Walter Roggeman, Voorzitter Natuurpunt
Marleen Evenepoel, Aministrateur Generaal, Agentschap
Natuur en Bos
Griet Celen, Afdelingshoofd Landelijke Inrichting, VLM
Moderator : Dirk Haesevoets, The House of Trust.
Slotwoord en conclusie door de Voorzitter
Terug naar Inhoud van deze editie Terug naar overzicht Landeigenaar |
|